De vergunningverlening aan veehouderijen moet anders. Minder vooraf berekenen, meer ‘realtime’ meten. In Brabant draaide een proefproject bij vijf varkensboeren.
Als buren van een varkenshouderij meer inzicht hebben in wat er in de stallen gebeurt en waarom, dan leidt dat al snel tot meer begrip en vertrouwen. Een boer die weet dat zijn stal op sommige momenten meer geur uitstoot, kan daar gericht iets aan doen. Als omwonenden zien dat de varkenshouder zich inspant, zijn ze op hun beurt sneller genegen om zich aan te passen.

Het is een van de ervaringen die zijn opgedaan in een proefproject waarbij de geuruitstoot van vijf Brabantse varkenshouderijen wekenlang continu is gemonitord met sensoren. “Boer en omwonenden gaan dan niet in gesprek op basis van emotie, maar er liggen data op tafel: de meetgegevens”, zegt projectleider Monique van der Gaag. “Een piek in de geuruitstoot is vaak terug te voeren op bijvoorbeeld het moment van voeren, of het mixen van mest. Als je als buur weet dat er op een vast tijdstip in de middag meer uitstoot is, besluit je sneller om de was dan ’s ochtends maar op te hangen.”

Van der Gaag is werkzaam bij Connecting Agri & Food, het innovatie- en kennisbureau dat het onderzoek heeft uitgevoerd in samenwerking met Veerle Slegers van Comunicamos. De opdracht was verleend door de provincie Noord-Brabant. Met sensoren werd van vijf varkenshouderijen continu gemeten wat de werkelijke uitstoot van geur was. De boeren en de burgers hielden logboeken bij. Er is gekeken in hoeverre dat de meetgegevens een betrouwbaar beeld geven van de geuruitstoot, maar ook of je met behulp van data boer en buur nader tot elkaar kunt brengen.

Perspectief

De conclusie is dat het meten van geur met behulp van sensoren ‘veel perspectief biedt’ om het in de toekomst beter te gaan doen. “Technisch zijn de sensoren nog niet zo ver dat je het al snel kunt inzetten voor vergunningverlening. Dat gaat nog jaren duren”, zegt Van der Gaag. “De sensoren moeten verder ontwikkeld worden en er is bijvoorbeeld behoefte aan meer inzicht in de componenten in lucht de overlast veroorzaken. Ook moet straks alles handhaafbaar en juridisch dichtgetimmerd zijn. Maar de technische ontwikkelingen gaan snel. Dit is wel de richting waar we naartoe gaan.”

Over dat laatste bestaat steeds meer consensus: de huidige manier van vergunningen verlenen in de agrarische sector wringt en schuurt en moet anders. Op dit moment wordt een geuruitstoot van een veehouderij op voorhand berekend op basis van tal van parameters, zoals het aantal dieren en het type luchtwasser en stalsysteem. Een allerminst waterdicht systeem, want er zijn tal van onvoorspelbare invloeden, zoals weersomstandigheden en het gedrag van de boer.

Het is een voortdurende bron van frustratie en polarisatie in het buitengebied. Buren van veehouderijen ervaren overlast van de stank uit de stallen, maar lopen met hun onvrede vast, omdat de boeren zich aan alle voorschriften in de vergunningen houden. Aan de andere kant krijgen boeren die juist minder overlast veroorzaken dan vergund hier geen waardering voor en zijn nieuwe technische ontwikkelingen die ze willen doorvoeren niet altijd toegestaan binnen de vergunning.

Emissieplafonds

In de toekomst moet de impact van een veehouderij op de omgeving continu in beeld zijn: door geur te meten in plaats van te berekenen. De commissie Geurhinder en Veehouderij pleitte vorige maand voor het instellen van geuremissieplafonds, waaraan de boer zich permanent moet houden. Als je emissiegrenzen instelt, zo concludeert de commissie onder leiding van kamerlid Pieter Jan Biesheuvel, legt dat meer verantwoordelijkheid bij de boer, maar het geeft hem ook meer vrijheid. Hij mag de grens niet overschrijden, maar kan dat ook bereiken via andere innovatieve maatregelen.

De commissie was ingesteld door staatssecretaris Stientje van Veldhoven nadat duidelijk werd dat veel combiluchtwassers bij lange na niet het beloofde rendement haalden. Biesheuvel cs werden gevraagd om in kaart te brengen hoe geuroverlast van veehouderijen kan worden teruggedrongen. In een eerste reactie op het rapport gaf Van Veldhoven aan dat vol wordt ingezet op meer onderzoek naar sensoren en meetsystemen.

Dat doet ook de provincie. Connecting Agri & Food heeft al een vervolg aangekondigd van het proefproject, met nog gevoeligere sensoren. Van der Gaag: “De nu afgeronde pilot is uitgevoerd bij vijf bedrijven waar relatief weinig aan de hand is qua overlast. Juist omdat het onderzoek nog zo pril was, wilden we dat de mensen met elkaar overweg konden. In vervolgonderzoeken komen ook andere locaties in beeld. Ook wil je graag over langere termijn gaan meten, zodat je de verschillende seizoenen mee kunt nemen. En we gaan meer kijken naar fijnstof, want ook daar maken omwonenden zich veel zorgen om. We merken in ieder geval dat er veel belangstelling is om aan de projecten deel te nemen, bij burgers én boeren.”

Dit artikel verscheen in het Eindhovens Dagblad op 22 mei 2019.

Wilt u meer weten?

Neem dan contact op met Monique van der Gaag via 06 13 75 19 97 of m.vandergaag@connectingagriandfood.nl

Monique van der Gaag
Monique van der GaagProjectleider veehouderij en gezondheid